Het Laatste Nieuws

Hij is de voetballer aan wie iedereen bij Gent zich moet spiegelen, vindt voorzitter Ivan De Witte. Er hangt geen blingbling aan Hannes Van Der Bruggen (21) en in het cliché 'de jeugd van tegenwoordig' past hij al zeker niet. Zonder show of grote mond kan het dus ook, in het voetbal. Van Der Bruggen over overleven in die grotemannenwereld.

Post Image

Hannes Van Der Bruggen: ‘De voetbalwereld is vluchtig en koud’

Lorem ipsum dolor sit amet consectetur

Eigenlijk is Hannes zo’n beetje de patroonheilige van de Gentse jeugd. Op zijn zeventiende was hij de eerste jeugdspeler in vijftien jaar die doorbrak bij de A-kern. Dat op zich was al bijzonder, maar Van Der Bruggen liet zich nog meer opmerken. “Hannes is van een uitstervend ras jongeren die voor de training de ballen gaan oppompen en achteraf de kegels opruimen. Dat is nog zeldzaam bij jeugdspelers”, liet de toenmalige Gentse beloftentrainer Etienne De Wispelaere optekenen. En toch is hij geen softie, eerder een survivor. Vier seizoenen houdt hij het al uit bij een club in crisis.

“Ik zat in het zesde middelbaar toen ik bij de A-kern kwam”, begint Van Der Bruggen zijn verhaal. “De ene dag stond ik nog mijn dansje voor de honderd dagen te oefenen, de volgende dag liep ik tussen de grote mannen en ging het er serieus aan toe. Zo werd ik heel snel volwassen.”

Werd je meteen getest door je oudere collega’s?

“Ik ben een beetje timide. Ik deed gewoon alles wat ze me vroegen, zelf al was het om te lachen. Ik was erg bang om iets verkeerd te doen en wou absoluut vermijden dat ze zouden zeggen: dat jong gastje komt hier aan en zet meteen een grote mond op. Dus pruttelde ik nooit tegen, als ik weer eens in het midden moest gaan staan bij een spelletje rondo. Ik vond dat maar normaal.”

Was de voetbalwereld anders dan je je als jonge gast had voorgesteld?

“Zeker en vast. Ik ging al van mijn tien jaar samen met mijn vader naar de thuismatchen van AA Gent kijken. Als supporter denk je niet buiten die vier witte lijnen. Terwijl er veel meer komt kijken bij voetbal. Supporters die je opwachten, als je verloren hebt bijvoorbeeld. Dat maakt wel indruk. Of trainers die vertrekken. Iedere keer van nul herbeginnen is vermoeiend.”

En je hebt hier al wat trainers zien passeren.

“Toen Sollied ontslagen werd, zat ik daar heel hard mee in, omdat hij in mij geloofde. Achttien was ik toen. Ik panikeerde en heb toch wat tranen gelaten. Op dat moment had ik nog niet genoeg zelfvertrouwen om te geloven dat het niet zo erg was en dat ik bij de volgende trainer ook wel zou spelen. Vroeger dacht ik: ‘Oei, ik ben nog niemand.’ Nu zal ik nog niet zeggen dat ik iemand ben, maar ik begin het wel te denken. Ik weet intussen hoe alles eraan toegaat en ik heb wel wat meegemaakt in de afgelopen jaren. Het feit dat ik er nog altijd ben en nog altijd op het veld sta, sterkt me. Ik heb ook voor het eerst het gevoel dat ze me voor vol aanzien.”

Heb je je soms onheus behandeld gevoeld?

“Ik denk wel dat iemand die uit de eigen jeugd komt zich dubbel moet plooien. Een speler die ze kopen, zal sneller zijn kans krijgen dan een eigen jongere. Je kan daar niets tegen doen. Soms is dat een frustratie. Zelfs als je voelt dat je het niveau aankan, weet je dat geld moet renderen. Toen Bob Peeters werd ontslagen, zijn ze zeven, acht spelers gaan halen. Ik ben heel zelfkritisch, maar vond dat ik het niet zo slecht gedaan had en toch werd ik uit de ploeg gezet. Eigenlijk ben ik bij iedere nieuwe trainer op de bank begonnen. Onder Rednic zat ik de eerste twee matchen zelfs in de tribune. En toen ik dan toch begon te spelen, ontsloegen ze de coach. Dat is geen reclame voor mezelf, zeker? (lacht) Begin dit seizoen las ik in de krant bijvoorbeeld ook dat ik zou uitgeleend worden aan Kortrijk, terwijl ik van niets wist. Dat vond ik jammer. Niet die verhuur, wel dat ze me niets hadden laten weten. Dan voel je je vee, waartegen ze zeggen waar je naartoe moet.”

Is de voetbalwereld hard voor opgroeiende jongeren zoals jij?

“De voetbalwereld is vooral koud. Rednic was van de ene op de andere dag weg. Ik heb hem niet meer gezien. Dat gebeurt ook met spelers die plots getransfereerd worden. Het is een industrie. Uit het oog is vaak ook uit het hart.”

Terwijl je zelf een blijver bent.

“In het voetbal kan je plots aan de andere kant van de wereld zitten en moet je je familie achterlaten. Soms is een avontuur niet slecht, maar ik weet niet of ik het op dit moment zou kunnen. Op mijn vijftiende kon ik naar Anderlecht. Mijn vader en ik waren onder de indruk van het scoutingsrapport dat ze over mij hadden gemaakt. Het was zo professioneel dat we van onze stoel vielen. Vanaf toen pas zijn we eigenlijk beginnen geloven dat ik toch wat kwaliteit had, anders komt Herman Van Holsbeeck niet uit zijn bureau. Ik kon daar ook meer dan het dubbele verdienen, maar ik vind stabiliteit belangrijk. Als voetballer, maar ook voor mezelf als persoon.”

Hoe hebben je ouders geprobeerd je te begeleiden?

“Mijn ouders hebben nooit veel druk op me gelegd. Voor elke training zeiden ze dat ik me moest amuseren. Plezier maken was voor hen het belangrijkste. Mijn papa vroeg nooit wat we gedaan hadden na een match. Zijn eerste vraag was altijd: was het plezant? Eigenlijk hadden wij nooit gedacht dat ik profvoetballer zou worden. Bij de U12 van Gent zat ik veel op de bank. Ik was absoluut geen talent. Ik dacht bij de eerste evaluatie dat ik zou moeten vertrekken. Bij mij is het gestaag vooruitgegaan. Heel veel jongens worden op hun zestiende al de hemel in geprezen. Ik kon me in de schaduw ontwikkelen. Dat is goed geweest voor mijn carrière.”

Je wou ook graag het voetbal combineren met je studies. Eerst vertaler-tolk en dan journalistiek. Waarom?

“Er zijn zoveel spelers die moeten afzakken, omdat het niveau te hoog lag. En ook omdat een andere wereld voor afwisseling zorgt. In de voetbalwereld is het moeilijk om vrienden te maken, omdat alles zo vluchtig is. Daarom studeerde ik graag iets bij, die omgeving is stabieler. Maar met al die trainerswissels veranderde het schema constant en kon ik niet veel naar de les gaan. Toen ik begin dit seizoen dan in de tribune zat, heb ik beslist om alles op het voetbal te zetten en nog harder te werken, door bijvoorbeeld meer te gaan fitnessen. Op dit moment ben ik ingeschreven bij mijn pa. Hij is zelfstandig opticien en is me aan het opleiden. Als ik thuis ben, help ik hem bij het repareren en maken van brillen.”

Het voetbal is zo’n machowereld. Hoe blijf jij als beleefde jongen daarin overeind?

“Een macho ben ik absoluut niet. En alsjeblief en dankuwel zeggen, vind ik maar normaal. Zo ben ik opgevoed. Ik heb ook nooit apenjaren gekend. Dat zit sowieso niet in mij. Ik ben vrij beredeneerd. Niet echt impulsief. Ik krijg vaak de opmerking dat ik tijdens een match wat agressiever zou mogen zijn. Ik zou daarvoor allerlei pepmiddelen kunnen nemen, maar ik blijf liever mezelf op het veld. Uitgaan heb ik ook nooit veel gedaan. Omdat me dat niet interesseert. De eerste en enige keer dat ik naar de Carré ben geweest, was vorig jaar met de ploeg.”

Ik zag je net met een oudere Renault Scenic rijden – ook niet de auto die je bij een voetballer verwacht.

“Dat is de wagen van mijn ouders. Ik heb er zelf geen. Die auto staat daar toch en niemand gebruikt die, waarom zou ik er dan een kopen? Auto’s interesseren me niet. Ik zou begot niet weten welke motors er allemaal bestaan. Een auto is een slechte investering. Ik spaar mijn geld. Het enige folieke was een iPhone, twee jaar geleden. Ik heb niets nodig.”

geprezen. Ik kon me in de schaduw ontwikkelen. Dat is goed geweest voor mijn carrière.”

Je wou ook graag het voetbal combineren met je studies. Eerst vertaler-tolk en dan journalistiek. Waarom?

“Er zijn zoveel spelers die moeten afzakken, omdat het niveau te hoog lag. En ook omdat een andere wereld voor afwisseling zorgt. In de voetbalwereld is het moeilijk om vrienden te maken, omdat alles zo vluchtig is. Daarom studeerde ik graag iets bij, die omgeving is stabieler. Maar met al die trainerswissels veranderde het schema constant en kon ik niet veel naar de les gaan. Toen ik begin dit seizoen dan in de tribune zat, heb ik beslist om alles op het voetbal te zetten en nog harder te werken, door bijvoorbeeld meer te gaan fitnessen. Op dit moment ben ik ingeschreven bij mijn pa. Hij is zelfstandig opticien en is me aan het opleiden. Als ik thuis ben, help ik hem bij het repareren en maken van brillen.”

Het voetbal is zo’n machowereld. Hoe blijf jij als beleefde jongen daarin overeind?

“Een macho ben ik absoluut niet. En alsjeblief en dankuwel zeggen, vind ik maar normaal. Zo ben ik opgevoed. Ik heb ook nooit apenjaren gekend. Dat zit sowieso niet in mij. Ik ben vrij beredeneerd. Niet echt impulsief. Ik krijg vaak de opmerking dat ik tijdens een match wat agressiever zou mogen zijn. Ik zou daarvoor allerlei pepmiddelen kunnen nemen, maar ik blijf liever mezelf op het veld. Uitgaan heb ik ook nooit veel gedaan. Omdat me dat niet interesseert. De eerste en enige keer dat ik naar de Carré ben geweest, was vorig jaar met de ploeg.”

Ik zag je net met een oudere Renault Scenic rijden – ook niet de auto die je bij een voetballer verwacht.

“Dat is de wagen van mijn ouders. Ik heb er zelf geen. Die auto staat daar toch en niemand gebruikt die, waarom zou ik er dan een kopen? Auto’s interesseren me niet. Ik zou begot niet weten welke motors er allemaal bestaan. Een auto is een slechte investering. Ik spaar mijn geld. Het enige folieke was een iPhone, twee jaar geleden. Ik heb niets nodig.”

En dan parkeer jij je Renault op training naast al die dikke bakken.

“Daar hebben ze in het begin wel eens mee gelachen. Nu kijkt niemand daar nog van op.”

HILDE VAN MALDEREN

Gerelateerde artikels