Het Laatste Nieuws

Roland Duchâtelet (67) is één van de machtigste mannen in het Belgische voetbal. Multimiljonair ook. Ondernemer. Ex-politicus. Idealist. Er zijn zoveel etiketten die je op de grote baas van Standard kan plakken. Maar wie is nu de mens Duchâtelet?

Post Image

Roland Duchâtelet: ‘Geluk is mijn prioriteit, niet geld’

Lorem ipsum dolor sit amet consectetur

Hij wou het niet over voetbal hebben. Dat trof. Wij ook niet. Er is al genoeg geschreven over zijn nieuwe Europese voetbalimperium, over zijn beleid bij Standard of zijn mening over het Belgische voetbal. Daarin toont hij zich soms een dwarsligger, dan weer een visionair. Hij heeft het imago van een koele kikker, maar tijdens het interview zal blijken dat dat eigenlijk nog wel meevalt. Hij lacht vaak en gul, neemt zichzelf serieus maar ook niet té. En het mag dan wel niet over voetbal gaan, wie de mens Duchâtelet begrijpt, begrijpt ook meteen wat hij in het voetbal wil doen. Maar laat ons eerst beginnen met het begin en dat is orde, tucht en discipline. “Zo ben ik inderdaad opgevoed. Mijn vader was rijkswachtofficier en heeft die discipline er ingelepeld. Hij was behoorlijk streng. Ik was niet echt een moeilijke puber. En ik was ook de jongste van vijf. Gewoonlijk vermindert de ijver waarmee de ouders hun kinderen opvoeden naarmate de kinderen verder in de rij komen. Dus het viel nog mee.”

Welke waarden hebben uw ouders u meegegeven?

“Naast discipline, eerlijkheid en zuinigheid. Ik ben net na de tweede wereldoorlog geboren, dus dat was een moeilijke periode. Alle mensen moesten toen zuinig zijn. Er was geen ruimte om geld uit te geven. Omdat het niet paste bij de status van een rijkswachtofficier moest mijn moeder stoppen met werken, daarvoor was ze directiesecretaresse. Zo ging dat in die tijd. Dat is pas in de jaren vijftig veranderd. Vrouwen hebben ook maar stemrecht gekregen in 1948. Wij denken soms dat de moslimcultuur achter zit op het gebied van vrouwenrechten, maar bij ons was dat toen ook nog zo. Het was vrij uitzonderlijk dat vrouwen in die tijd werkten. Mijn moeder was dus redelijk progressief, zonder daar militant over te zijn.”

U bent later burgerlijk ingenieur gaan studeren. Wat trok u daarin aan?

“Ik wou eigenlijk studeren wat het moeilijkste was en dat bleek burgerlijk ingenieur te zijn. Was geneeskunde de moeilijkste studie geweest die er bestond, dan was ik waarschijnlijk dokter geworden. Ik was een goede student op school, maar als je op kot gaat en het studentenleven leert kennen, wordt dat een gevaarlijke combinatie. Ik ben veel uitgeweest en heb echt geprofiteerd van dat studentenleven. Het was ook de periode van de zware cantussen. Uiteraard ging ik daar naartoe. Dat was gewoon om je zat te drinken. Gelukkig dat er in die tijd niet veel auto’s reden of er waren ongelukken gebeurd. Ik deed ook van alles. Achteraf gezien vraag ik me af hoe ik er ooit ben doorgeraakt (schiet in de lach). Zo richtte ik in die periode het universitair ballet op. Ik vind de expressie van het lichaam aangenaam, terwijl dat toen niet evident was. Mensen waren meer gereserveerd. Jongens die dansten was al helemaal ‘not done’. Balletgroepen waren iets voor meisjes. Maar ik kon er niet aan doen, ik danste zo graag. Ik ben met ballet begonnen op mijn zestiende, veel te laat natuurlijk. Ooit heb ik zelfs opgetreden op Jazz Bilzen. Als sportpreses deed ik ook vaak mee aan allerlei interfacultaire competities. Er waren nochtans veel studenten burgerlijk ingenieur, maar die vonden blokken veel belangrijker, dus sprong ik overal bij. Behalve in het voetbal. Daarin was ik niet goed genoeg.”

Als ik dat hoor was u allesbehalve een nerd.

“Absoluut niet. Ik was atypisch als student.”

Toen al.

“Maar ik was niet de enige.”

Mei 1968 hebt u dan ongetwijfeld ook niet zomaar voorbij laten gaan.

“Dat viel allemaal in die flow. In dat jaar werd er heel veel betoogd. Ik deed aan bijna alles mee.”

Uit plezier of overtuiging?

“Dat was een ambiance. Soms wist ik niet waarvoor ik aan het betogen was. We werden toen opgepakt door de rijkswacht. Ik heb ooit een nacht moeten doorbrengen in de cel. Mijn vader was daar niet echt tevreden mee, moet ik zeggen.”

Wanneer bent u dan ondernemer geworden?

“Ik heb eerst bij verschillende ondernemingen gewerkt. Op een bepaald moment startte ik met mijn baas een nieuwe firma in de jaren zeventig. We hadden een quiztoestel uitgevonden: Memotest. Eigenlijk de voorloper van de ‘gameboy’. Je moet weten dat er toen nog geen tv-spelletjes bestonden. Iedereen vocht om het te mogen verkopen en toch is dat bedrijf failliet gegaan. Ze hebben me eerst buitengegooid na een meningsverschil. Dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel ben jij verkeerd ofwel is je baas verkeerd. Ik ben verschillende keren buitengezet en aangezien ik toch niet helemaal mislukt ben, is mijn boodschap aan mensen die dat meemaken: maak je daar niet te ongerust over. Het probleem ligt misschien wel bij je chef.”

Vonden ze u te moeilijk om mee samen te werken?

“Ik laat niet over me heen lopen en geef niemand zomaar gelijk. Het heeft me wel gesterkt in mijn overtuiging dat ik het zelf moest doen. Want je kan vijf jaar aan iets werken, als er dan plots iemand uit Parijs of New York komt en beslist dat het anders moet, sta je machteloos. Daarom is het aangenamer als je zelf de baas bent.”

Vindt u macht belangrijk?

“Macht heeft het voordeel dat je goede dingen kan doen, maar heeft ook het nadeel dat je er veel slechte dingen mee kan doen. Als macht in handen is van goede mensen, is daar niets verkeerd mee. Je hebt twee soorten macht. De categorie mensen die alles zelf wil beslissen. Mensen die denken dat ze het beter weet dan hun medewerkers. Nochtans is het meestal omgekeerd. Mijn managementstijl is eerder het coachen van mensen. Ik geef ze de vrijheid om te werken. Als ze zelf moeten beslissen, worden ze verplicht om erover na te denken en kunnen ze nadien niet zeggen: jij hebt gezegd dat ik het zo moest doen. Dat heet empowerment: macht geven aan de medewerkers. Dat is nu in, maar ik ben daar al lang mee bezig. Ik heb ook veel empathie. Ik heb oog voor mensen die slecht in hun vel zitten. De mensen moeten zich happy voelen. Je leeft tenslotte maar één keer. Toen ik startte als ondernemer heeft het me verwonderd dat gelukkig zijn op het werk niet de prioriteit was van de vakbonden. Geld en overuren waren dat. Met als logica: wij werken voor geld en dat moet goed geregeld zijn. Toen ik met mijn activiteiten begon, was mijn eerste regel in het huisreglement dat de mensen die bij ons werkten gelukkig moesten zijn. Dat is nu 25 jaar geleden. Maar ik ben natuurlijk geen onnozelaar. Om gelukkig te blijven, moesten we wel winst maken. Anders konden we niet blijven leven (lacht). Gelukkig zijn en winst maken is compatibel. Ik vind dat een belangrijke doelstelling in onze maatschappij om zoveel mogelijk gelukkig te zijn. Thuis, op het werk, op school, overal. Ruziemakers gaan er bij mij uit. Die verpesten de hele sfeer. Mensen die gefrustreerd zijn, maken je hele bedrijfscultuur kapot.”

U legt nu heel sterk de nadruk op geluk. Wat maakt u als mens gelukkig?

“Het creëren van dingen. Iets te proberen en te doen slagen. Dat vind ik plezierig. En daarnaast de dagelijkse dingen zoals goed eten en drinken. Het feit dat ik graag dans heeft daar ook mee te maken.”

Ik dacht dat u zo’n serieuze man was.

“Mij verwondert het dat sommige journalisten plots paginalange artikels over me schrijven, terwijl ze me nog nooit ontmoet hebben. Dat verkopen ze dan als de waarheid, maar dat klopt niet altijd met de werkelijkheid.”

Als u kiest voor de politiek en de voetbalwereld weet u natuurlijk wel op voorhand dat dat twee gemediatiseerde domeinen zijn.

“Onvermijdelijk word je dan het object van allerlei commentaar. Maar de deontologie in de pers is compleet weg. Ik heb geen tijd om daar allemaal op te reageren. Ik moet echt werken hé.”

Er is al veel over u geschreven. U bent bestempeld als idealist, als machtswellusteling en als geldwolf. Iedereen heeft wel zijn mening over waarom u al die voetbalclubs koopt. Wat is dan uw waarheid? Waarom doet u wat u doet?

“Ik probeer het te doen, omdat het interessant is. Om iets te doen dat leuk is. Iets interessant vinden is voor mij altijd de motivatie voor alles wat ik doe. Dat is de ingenieur die spreekt.”

U wil niet overal geld aan verdienen?

“Geld verdienen is nooit mijn motivatie geweest. Ik wil niet overal geld uit halen, dat klopt niet. Geld is interessant, omdat het je de mogelijkheid geeft om dingen te doen die andere mensen niet kunnen doen. Maar als je al genoeg hebt, waarom zou je dan nog meer willen? Dat heeft geen zin.”

Eén van uw dichte medewerkers zegt dat u eigenlijk een ontdekkingsreiziger bent.

“Dat is geen verkeerde omschrijving. Ik loop in de wereld rond als een benieuwde jongen die alles ontdekt en daarin meegaat.”

Zijn er dingen die u nu nog kunnen verrassen?

“Ik geef een voorbeeld: papieren geld verdwijnt. Nu beseft één persoon op duizend dat. Ik zeg dat nochtans al een tijdje. Dat is een ongelooflijke revolutie voor de mensheid, want papieren geld bestaat al van 600 voor Christus. Als het verdwijnt, zullen daar een aantal belangrijke consequenties aan verbonden zijn voor onze maatschappij. Het geeft me een kick om daarmee bezig te zijn. Om na te denken hoe de wereld er dan zal uitzien. Je moet durven doordenken in de tijd. Het grote probleem van Afrika is corruptie en dat is gebonden aan geld. Als geld elektronisch wordt, kan je het traceren en kan je ook tegen die corruptie beginnen optreden. Dat betekent dus het einde van de corruptie in Afrika. Dat zal een positieve invloed hebben op dat continent. Ondernemers die het opgegeven hebben, gaan er nu wel zaken willen doen. Dat is waanzinnig belangrijk. Ik vind het leuk om plots inzichten te krijgen. Ik krijg er ook een kick van om te kunnen zeggen wat er gaat gebeuren. Als ik dan gelijk krijg, geniet ik daarvan. Zoals over de belastingen in België. Ik heb indertijd aan politiek gedaan, omdat ik zag dat die mannen allemaal verkeerd bezig waren. Als ingenieur zeg ik dan: ik ga hier eens uitleggen hoe je het wel moet doen. Ik ben met Vivant (zijn eigen politieke partij, red.) begonnen in 1993 en verkondigde toen al dat je gek moest zijn om arbeid te belasten. ‘Duchâtelet is gek’, kreeg ik te horen. Ik ben toen afgeschoten als een onnozelaar. Wat men toen vergat, is dat je de sociale zekerheid ook anders kan betalen dan met lasten op arbeid. Nu is iedereen akkoord met mij, maar het heeft wel twintig jaar geduurd vooraleer de politieke klasse dat heeft ingezien.”

U bent vaak afgeschoten. Denkt u op uw 67ste niet: foert, ik trek het me allemaal niet meer aan?

“Je moet toch iets doen in het leven? Ik doe alleen maar dingen die ik graag doe. Ik heb nog zo’n vierhonderd weken te leven. Omdat ik dat besef, zet me dat aan om de weken die ik nog heb, intensiever te beleven. Ik ben daar heel kritisch over. Rijkdom betekent voor mij niet geld, maar timemanagement. En management van je kennissenkring. Dat je zorgt dat je met mensen te doen hebt, waar je graag mee te doen hebt. Ik ben ook kritisch naar interviews toe, dat heb je wel ondervonden. Ik ben daar niet zo makkelijk in. Dat mag wel eens af en toe, maar het moet niet overdreven zijn. Dat ik jou vandaag een interview geef, is vooral met de bedoeling dat de mensen die dit lezen er ook iets voor zichzelf kunnen uithalen. Misschien kan ik daar andere mensen mee gelukkig maken. Ik probeer een levensgenieter te zijn. Dat lukt niet altijd. Ik zou beter kunnen. Maar het is goed dat iedereen daar voor zichzelf probeert over na te denken. Wat doe ik met mijn tijd? Veel mensen maken zichzelf zo ongelukkig.”

U blijft wel heel gedreven, heb ik de indruk.

“Ik ben niet zo gedreven. Als ze het me te lastig maken, zit ik er niet mee in om… (breekt zijn zin af). Ik ben niet onvoorwaardelijk… (stopt opnieuw). Mijn prioriteit is toch mijn eigen geluk hoor.”

Zegt uw familie soms dat het tijd wordt om wat meer thuis te zijn?

“Maar ik probeer wel om meer thuis te zijn. Dat is een grote prioriteit. Ik werk veel van thuis uit. Met internet en zo is dat tegenwoordig geen probleem.”

U staat hoog in de ranglijst van rijkste Belgen. Was het makkelijk om uw zes kinderen dan nederig op te voeden?

“Vroeger was ik niet rijker dan u. Ik was een werknemer met een grote familie. Ik moest zorgen dat het geld er lag op het einde van de maand. Ik ben pas later rijk geworden en de kinderen hebben dat ook nooit geweten. Nu wel natuurlijk.”

Staat u zichzelf soms een uitspatting of een ‘folieke’ toe? Iets waar u graag geld aan geeft?

“Ja, aan een mooie reis. Iets dat leuk is om te doen.”

Ik heb eens gelezen dat mensen die hun geld geven aan belevingen gelukkiger zijn dan mensen die het liever geven aan materiële dingen.

“Dat zou wel eens heel goed kunnen.”

HILDE VAN MALDEREN

Gerelateerde artikels