Post Image

Hilde interviewt wereldkampioen Delfine Persoon

Delfine Persoon (30) is de beste vrouwelijke bokser ter wereld. Ze won al alles wat er te winnen viel, is wereldkampioen in alle boksbonden en voert de wereldranglijst aan. Het leverde haar de titel Sportvrouw van het Jaar 2015 op, al weigerde ze om naar dat gala te gaan. Speciaal voor NINA maakte ze wel tijd tussen een vroege shift en de bokstraining voor haar eerste fotoshoot ooit.
Je trapt maar beter niet op de tenen van Delfine Persoon, want ze is een beetje koppig, geeft ze zelf toe. Dat is misschien nog een understatement. Omdat ze in 2014 de belangrijkste wereldtitel van haar carrière won, tipte iedereen haar als sportvrouw van het jaar. Maar die eer ging wat verrassend naar zevenkampster Nafi Thiam, die brons had gewonnen op een Europees kampioenschap. Heel België leefde mee met Delfine, die zwoer nooit nog naar het sportgala te gaan. En ze hield woord, ook al kwam die titel deze keer wel haar richting uit. “Zelfs al hadden ze me op voorhand gezegd dat ik ging winnen, dan nog zou ik niet geweest zijn”, legt ze uit. “Ik blijf erbij dat 2014 mijn jaar was, ook al heb ik in 2015 kunnen bevestigen.”
Nochtans kreeg je zelfs zonder die titel in 2014 ongelooflijk veel erkenning.
”De eerste die me na dat gala een bericht stuurde, was judoka Ulla Werbrouck, die hetzelfde meemaakte (in 1999 won Ulla zilver op het WK, maar ging de titel naar Kim Clijsters, toen 47ste op de wereldranglijst tennis, red.). Van Fred Deburghgraeve en Dominique Monami tot Marc Herremans, allemaal hebben ze me gecontacteerd. Overal waar ik kwam, kreeg ik positieve reacties. Velen zeiden me dat ik voor hen wel sportvrouw van het jaar was.”
Heb je het Kim Clijsters al vergeven? Zij zei openlijk dat ze voor Thiam had gestemd, omdat ze haar kende.
”Als atlete heb ik nog altijd ongelooflijk veel respect voor haar, maar ze heeft op mijn hart getrapt. Ik had gedacht dat ze als sportvrouw toch op zijn minst de moeite zou doen om mijn prestaties te bekijken.”
Het klinkt misschien raar, maar je niet-verkiezing heeft je toen waarschijnlijk bekender gemaakt door alle heisa die er is ontstaan.
”Mijn trainer en ik hebben het ook zitten denken. Ik heb meer reclame gekregen door te verliezen dan door te winnen. Maar het is nu achter de rug. Aan die show doe ik niet meer mee.”
Ik kan het bijna niet geloven, maar even goed had jij nu ballet gedaan?
”Daar ben ik inderdaad op mijn vier jaar mee begonnen. Ik volgde eigenlijk mijn oudere zus Gerlinde. Omdat we altijd met kapotte kousen thuiskwamen, zei mijn moeder dat we beter voor een andere sport kozen. Mijn zus wilde dan judo doen en ik ben haar weer gevolgd. Later heb ik regentaat lichamelijke opvoeding gedaan. Met boksen ben ik pas begonnen op mijn 22ste, nadat ik al gestopt was met judo door problemen met mijn rug. Toen ik afstudeerde, vond ik geen werk in het onderwijs, dus deed ik mee aan de politietesten. Daar kwam ik in contact met boksen.”
Waren jouw ouders daar gelukkig mee?
”Ze vonden het een sport voor marginalen. Dat is nog altijd het cliché, al is dat de laatste jaren wel verbeterd. De eerste zes maanden durfde ik hen niet te zeggen dat ik aan het trainen was. Maar toen ik na mijn eerste kamp thuiskwam met een blauw oog, moest ik wel. Die voorliefde voor sporten kwam zeker niet van thuis. Mijn ouders hebben een tuinbouwbedrijf en dus hadden ze nooit tijd om aan sport te doen. Al is mijn vader wel competitief. Toen we in het lager onderwijs zaten, hielpen mijn zus en ik al op het land. Als het ‘s middags tijd was om te gaan eten, riep mijn vader altijd ‘om ter eerst thuis’. Dan liepen we met onze botten over het veld. Intussen kunnen mijn ouders het boksen wel appreciëren, maar de dag dat ik stop, zullen ze heel blij zijn. Mijn mama heeft vooral schrik dat ik een serieuze blessure zal oplopen.”
Ik vind het nog altijd moeilijk voor te stellen.
Je komt over als een hele lieve vrouw en toch zo aangetrokken worden tot een agressieve, mannelijke sport.
”Och, dat is een taboe. Er zou geen verschil mogen zijn tussen mannen en vrouwen. Trouwens, kijk eens naar de blessures in het voetbal. Daar lopen ze openbeenbreuken op. Of als je in het wielrennen op je hoofd valt, kan het gedaan zijn. Ik denk maar aan Wouter Weylandt. In het boksen gebeurt dat allemaal uiterst zelden. In de ring is het natuurlijk ieder voor zich en ik win gewoon graag. Ook als ik ga lopen in een groepje, wil ik op het einde altijd een sprintje trekken om eerste te zijn.”
Wat vind je zelf dan zo leuk aan boksen?
”Vechtsporten liggen mij. Ik voel me daar goed bij. Ik zou zelfs ooit eens van die kooigevechten willen doen (mixed martial arts, een combinatie van diverse vechtsporten, red.). Daarvoor zou ik enkel nog goed moeten leren trappen. Ik hou vooral van boksen, omdat het fysiek zwaar is. Ik heb tijdens mijn regentaatsopleiding veel sporten gedaan en boksen is toch één van de zwaarste sporten. Ik werk bij de spoorwegpolitie van Brugge en na het werk is dat mijn uitlaatklep. Mijn job is vooral mentaal zwaar, omdat wij vaak verwijten naar ons hoofd krijgen of mensen zitten te zagen. Als ik uit de boksclub kom, kan ik er weer tegen. Ik ben hier bijna iedere dag. En als ik hier niet ben, ga ik mountainbiken of lopen. De combinatie fulltime werken en sport is moeilijk. Ook omdat ik in shiften werk en geen vast ritme heb. Mensen zeggen me soms dat ik het zwaar heb. Dat klopt, maar ik doe mijn hobby. Mijn vader werkt soms van zes uur ‘s morgens tot elf uur ‘s avonds. Daar heb je niet te kiezen.”
Heb je in het echte leven nooit zin om iemand een mep te verkopen?
”Eigenlijk niet. Op het werk hebben we ooit iemand kunnen inhalen die iets had gestolen. Die gast bleef maar uithalen naar mij. Dan zal ik me wel verdedigen. Het gebeurt ook soms dat ze me herkennen. Dan wensen ze me proficiat om me af te leiden. Dan moet ik zeggen: bedankt, maar nu ben ik aan het werken, dus sorry, je zal me toch je identiteitskaart moeten geven.”
Hoeveel train jij?
”In normale weken ga ik vier keer lopen als basistraining met nog één keer een intervallooptraining aan zee. Dan vijf of zes bokstrainingen van 2,5 à 3 uur. En één of twee keer krachttraining.”
Dat is niet mis. Zo schiet er waarschijnlijk heel weinig tijd over. Wat offer je in je privéleven op om te kunnen boksen?
”Ik moet keuzes maken en daardoor ben ik al veel vrienden verloren. Als je eens niet kan komen naar een trouwfeest of een geboortereceptie, verstaan ze dat wel, maar als je nooit tijd hebt om te gaan eten, dan lopen die relaties verkeerd. Ik begrijp dat wel. Het is niet dat ik geen tijd wil maken, maar alle gaatjes zijn ingevuld om te kunnen trainen. En ik kies ervoor om op feestdagen te werken, omdat ik dan een extra verlofdag krijg. En de vriendinnen die gebleven zijn, weten ook dat dit nog maar een paar jaar zal duren. De boksers met wie ik train, zijn natuurlijk wel een beetje familie geworden. Er worden op training ook wel eens grappen verteld en er wordt onnozel gedaan.”
Heb je een vriend?
”Ja, maar daar zou ik liever niet te veel over zeggen.”
Heb je nog weleens tijd om een gewone koffie te gaan drinken of een taartje te eten?
”Uitzonderlijk, maar beperkt. Na een kamp kan dat, maar voor een wedstrijd moet ik op mijn eten letten. Nu zit ik drie kilo boven mijn competitiegewicht.”
Meen je dat? Ik zie ze niet zitten, die kilo’s.
”Ik kom snel bij. Maar groenten snijden en koken, daar heb ik niet veel fut meer voor als ik om halftien thuiskom van de training. Soms eet ik dan niet meer. Of het zijn shakes met gewoon de nodige voedingsstoffen. En dan vlug in bed om de volgende dag weer vroeg op te staan.”
Dat is tegen anorexia aan.
”Het is een voortdurende strijd met mijn eigen lichaam, maar dat is een deel van mijn leven geworden. Op die manier moet ik naar mijn wedstrijdgewicht toewerken. Ik sta iedere dag op de weegschaal. Net voor een kamp zelfs twee of drie keer per dag. Voor mij is het makkelijker als ik thuis ben, want je kent dat, op het werk is er altijd wel iemand die trakteert voor zijn verjaardag of iets anders. Ik heb het dan heel moeilijk om daar af te blijven, terwijl er bij mij thuis niets in de kast ligt. Ik ben een zoetebek. Ik eet liever desserts dan voor- of hoofdgerecht. De dag voor een kamp moeten mijn tegenstander en ik dan ‘s avonds op de weegschaal gaan staan om ons gewicht te controleren. Als dat goed zit, valt al de helft van de stress weg. Eigenlijk zijn dat telkens twee gevechten. Eén om in mijn gewichtsklasse te blijven en dan de wedstrijd zelf. De dagen ervoor eet ik bijna niet.”
Heb je dan nog kracht over om te boksen?
”Na de weging begin ik onmiddellijk met vocht en suikers op te nemen. Dan komen er snel weer kilo’s bij. Maar die shakes ben ik intussen beu, want lekker is dat niet. Sinds mijn laatste wedstrijd in november heb ik er geen meer gedronken.”
Kan je nog genieten van eten?
”Zeker. Na de kamp kan er eens een biefstuk met friet af.”
En als je stopt, zullen alle kilo’s er dan bijkomen?
”Dat wel. Als ik mij zou laten gaan, komt er meteen tien kilo bij. Dat is ook het gevaar van stoppen met boksen. Train ik een dag niet, dan is er twee kilo bij, omdat mijn lichaam het zo gewoon is om iedere dag te trainen en calorieën te verbranden.”
Woon je alleen?
”Ja, en bij mijn ouders geldt, weg is weg. Dus moet ik ook nog zelf mijn was en mijn strijk doen.”
Dat allemaal samen maakt je bijna een supervrouw.
”Maar door de oververmoeidheid heb ik wel de zona gehad (pijnlijke huidaandoening, red.). Trainen wil ik altijd, maar het lichaam wil niet altijd mee. Met ouder worden voel ik dat nog meer. Door de vermoeidheid raak ik ook sneller geblesseerd. De laatste wedstrijden heb ik allemaal met een blessure gebokst. Voet omgeslagen, achillespees of scheenbeenvlies ontstoken, een barstje in het handbeen. Daar leer je mee leven. Het is niet zoals in het voetbal dat je een week aan de kant kan blijven. In het boksen spreek je een datum af voor een kamp en dan moet je er staan. En het grote nadeel is dat een verlies zwaar doorweegt. Boksen is een laddersysteem. Nu sta ik bovenaan, maar als ik verlies, zak ik en duurt het weer twee jaar vooraleer ik voor een titel kan kampen. Boksen is zo cru. In één kamp kan alles weg zijn.”
Dus elke wedstrijd kan nu je laatste zijn?
”Als ik een kamp verlies, is het game over. Ik ben dertig. Ik hoop nog twee jaar mee te draaien, maar het kan sneller gedaan zijn.”
Wil je dan een gezin stichten?
”Dat zou ik later wel willen. Als je kinderen hebt, moet je daar tijd voor maken. In mijn situatie zou ik dan niet aan topsport kunnen doen, want een nanny kan ik me niet veroorloven. Als ik ooit beslis om er voor te gaan, moet ik voor hen klaarstaan. Maar in mijn tweede leven droom ik zeker van kinderen.”
Mogen ze dan ook boksen?
”Van mij wel.”
Is dat wel gezond, al die klappen die je krijgt op je hoofd?
”Op de manier waar wij er hier in onze club mee bezig zijn wel. Na een zwaardere kamp zal ik bijvoorbeeld een hele tijd niet sparren om geen klappen te krijgen.”
Ga je er iets aan overhouden?
”Mijn neus is al eens gebroken. Dat zie je toch een klein beetje. Ik kan daardoor maar door één neusgat ademen. Als ik stop met boksen, ga ik dat laten opereren om terug goed te kunnen ademen, niet om er beter uit te zien, hoor.”
Ben je niet bezig met hoe je eruitziet?
”Ik ben niet ijdel. Mijn wedstrijdoutfit heb ik niet eens zelf gekozen, dat heeft mijn trainer gedaan. Hij vond dat het wat moest blinken. Ik laat mijn haar vlechten, omdat het niet in je gezicht mag hangen. Anders krijg je tien tellen om dat te fatsoeneren. En ik zou geen kamp willen verliezen, omdat mijn haar in mijn ogen hangt. Ik doe geen typische vrouwendingen. Ik haat shoppen. En ik maak me enkel op als ik een blauw oog heb. Als veertienjarige dachten veel meisjes al aan de jongens, terwijl ik alleen met de jongens wou voetballen. Ik was een laatbloeier. Voor mijn twintigste heb ik nooit een vriendje gehad. Ik was altijd bezig met sport.”
En nu? Kijk je graag naar de mannelijke boksers of zitten daar geen knappe gasten tussen?
”Ik kijk naar hun kampen, dus automatisch zie ik wel wie de mooie atleten zijn en wie de papzakken. Maar ik hou me daar niet mee bezig. Ik train alleen maar met mannen. Als ze een afgetraind lijf hebben, betekent het meestal dat ze goed in conditie zijn, dus dat is geen cadeau om tegen te sparren. Al zullen ze tegen mij nooit au fond gaan, want een man heeft sowieso meer kracht dan een vrouw.”
Vind je het niet jammer dat je in België niet kan leven van de bokssport, dan zou je leven er veel makkelijker uitzien.
”Wij moeten onze kampen zelf organiseren en ik ga dan overal kaarten verkopen. In de situatie waarin wij zitten, moet je het zo doen, het kan niet anders. Er is geen geld. In Vlaanderen krijg je als bokser ook geen subsidies van de overheid. Als je mijn laatste tegenstanders bekijkt, was ik één van de enigen die nog fulltime werkte. In Amerika kan je er als vrouw wel van leven. Ik heb er nog aan gedacht om te verhuizen, maar ik wou het risico niet nemen. Als je je blesseert aan je hand, kan het meteen gedaan zijn. Ik heb hier een leven opgebouwd, een huis gekocht en heb een vaste job. En bovendien zou ik zelfs in Amerika niet binnen zijn, als ik stop. Bij de mannen is dat wel het geval, bij de vrouwen niet. En dan? Hier kan ik er niet van leven, maar heb ik wel werkzekerheid.”
Waar droom je nog van?
”Ik zou later graag een eigen sportcentrum openen en privétraining geven. Dat lijkt me wel wat.”
Dan wensen we je dat toe. En nog veel wereldtitels natuurlijk.

Gerelateerde artikels